Oorsprong: De metaalbewerkerstraditie (1500–1700)
Het verhaal van het vlooiencircus begint niet als entertainment, maar als een demonstratie van buitengewoon vakmanschap. In de 16e en 17e eeuw maakten horlogemakers, goudsmeden en smeden onmogelijk klein metaalwerk en gebruikten levende vlooien om te bewijzen hoe licht en delicaat hun creaties waren.
In 1578 maakte de Londense smid Mark Scaliot “een slot bestaande uit elf onderdelen van ijzer, staal en messing, die samen met een sleutel maar één goudgrein wogen.” Hij maakte ook een gouden ketting van drieenveertig schakels en, nadat hij deze ketting aan het slot en de sleutel had bevestigd, hing hij het geheel om de nek van een vlo, die alles met gemak voorttrok. Het volledige geheel—slot, sleutel, ketting en vlo—woog slechts anderhalf grein.
Rond 1743 presenteerde een horlogemaker genaamd Sobieski Boverick aan de Royal Society een ivoren koets-met-zes compleet met koetsier, passagiers, lakeien en een postiljon—allemaal getrokken door één enkele vlo. De microscopist Henry Baker introduceerde hem op de vergadering van 9 juni 1743.



